Herinneringen aan de Sixties    Door Henkie van de Wetering
Als vier jarige kleuter liep ik al achter de muziek aan. Als de plaatselijke Fanfare door de Emmastraat liep dan moesten mijn ouders me in de binnenstad weer ophalen. Mijn muzikale carrière begon op mijn zevende toen mijn vader me mondharmonica leerde spelen. Samen met hem speelde ik, in de jaren vijftig, tijdens vakantie in Duitsland op de camping bij het kampvuur “Schön is dass Zigeurnerleben –Fariafaria” und “Schön ist der Jugendzeit” und “Jongen komm balt wieder” Op mijn negende kreeg ik accordeonles. Mijn vader bracht me trouw iedere week naar mijn leraar in de binnenstad van Enschede.  Ik leerde Polka’s, Duitse en Hollandse liedjes, walsjes maar ook  Musiden van Elvis. Mijn zus Tineke die twee jaar ouder is had in 1963 vriendjes met vetkuiven. Zij had een suikerspin en een petticoat. Dat was  Rock and Roll en zij waren echte Nozems. Als mijn ouders uit gingen, paste Tineke op haar drie broertjes met haar vrienden. Dan werden er plaatjes gedraaid van Elvis, Gene Vincent, Jerry Lee Levis, Little Richard, Chuck Berry, Carl Perkins, Bill Haley.en Fats Domino.  Die vrienden van mijn zus imiteerden die muziek. Martin Koops zong en Siegbert Seliger sloeg met pollepels op de potten en pannen van mijn moeder. Een jaar later mocht ik naar de instuif van Clubhuis -de Sloep-. Ik was dertien, won een Twistwedstrijd, en werd Twistkoning.  In -de Sloep- zag ik de vrienden van mijn zus in The Rowdys spelen en ook The Refreshers en The Honest Men.   Op de ambachtsschool aan Bodenkampsingel zag ik Le Centurion met Rije Velders en ook een band met een stel  Indo-rockers, de gebroeders Woudstra.  Ik ging met ze mee naar huis en we draaiden platen van Chuck Berry “Roll over Beethoven”. Ik probeerde bas te spelen. Omdat ik linkshandig ben lukte me het niet goed om gitaar te spelen. Ik had een probleem maar, de muziek hield me in een greep. Mijn accordeon lag al in de hoek. Ik wilde wat anders maar wist niet hoe verder. Totdat ik in de cafetaria uit de juke box “Not Fade Away” van The Rolling Stones hoorde. Dat Jungle geluid wilde ik ook maken. Ik wist het, ik word drummer!!.  Ik was nog geen vijftien toen ik (illegaal) werkte in een fabriek. Net van de ambachtschool af had ik maar één doel en dat was een drumstel verdienen. Van mijn eerst verdiende loon kocht ik voor 150 gulden een drumstel. Een aftands handgemaakt ding die ik beplakte met zwart glimmend plakplastic. Na een half jaar oefenen in mijn slaapkamer en meespelend met plaatjes van mijn zus leerde ik mijzelf drummen. De eerste plaat die ik kocht was “Twist en Shout” van de Beatles. Mijn vader was diep teleurgesteld en ontgoocheld. “Dat is toch geen muziek”, riep hij boos. Mijn haar was lang en mijn zelfgemaakte kleding opzichtig. Ik was een echte Beatnick “Je lijkt wel een schooier. Ik wil niet hebben dat je nog langer in mijn groentezaak komt, want ik geneer me voor jou”. Het werd alleen maar erger, want de Hippietijd was nog niet aangebroken. Na die Beatnicktijd ging ik om met allerlei knapen die een band wilden beginnen zowel op  Twekkelerveld, Stadsveld en op Pathmos. Daar in die volksbuurten speelden ze Rock and Roll, Rythme and Blues en Beatmuziek. Getty Reuvers, die ik bij de Sloep ontmoette, nam me mee naar Pathmos. Die kende daar een gitarist. Die gitarist werkte bij de TET en had wel 20 kleine busluidspeakers aan elkaar geknoopt om zo harde beatmuziek te produceren. Toen onze band niet goed van de grond kwam bracht Getty me naar Bettie ten Donkelaar de zanger en oprichter van HUN. Ik moest in de voorkamer van Bettie’s ouders, in de deuropening van die kleine Patmoswoning even laten horen hoe ik drumde. Ja, ik had de juiste beat dus zo werd ik drummer bij HUN. De band HUN reperteerde op zelfgebouwde gitaarversterkers. Van oude radio’s en dergelijke. We repeteerden wel; drie maal in de week in die kleine voorkamer. De baby van Betties zus lag boven te slapen. Ze vertelde me dertig jaar later dat ze er geen last van had maar dat ze overal doorheen sliep. De oude buurvrouw, van ver in de zeventig, klaagde nooit. Fans hingen rond voor het huis en gluurden door het raam. De overbuurjongen Gerrit Schepers, mocht met de bestelbus van zijn vader ons vervoeren naar optredens. Gasflessen eruit en de installatie erin. Henk Tukker was onze manager. De buurjongens  Alwisch en Peter Nijhuis hielpen als roadies. Kortom de hele buurt deed mee. Het was HUN band. Het eerste jaar in 1965 organiseerde we zelf Beatfeesten in het houten gebouwtje van de postduivenclub aan het  Zuiderspoor en toerden we , met gehuurde geluidsapparatuur van Assink, langs de Enschedese clubhuizen de -Sloep-, de -Brug-, de -Katheker-, de - Bijenkorf- en langs speeltuinen zoals -Acacia-, de -Plataanstraat- en Enschedese dancings zoals de -Vlugte-, en -Reinders-  (waar soms stevig geknokt werd tijdens optredens, doorspelen was het devies) of op het woonwagenkamp bij Dolphia.( waar je niet aan de meisjes mocht komen).Een hele schare fans trok mee op bromfietsen Puchjes, Tomossen, Kreidlers,  Zundaps, Mobilettes . We speelden ook in de Hengelosche clubhuizen zoals de -Boemerang-, het -Kraaienus-, de -Dieselstraat-, het -Lansink-, het -Beetshuis- en -The Criple Creek- in Borne. Het -Beetshuis- was net begonnen als Beatclub en wij boden aan voor de entree te spelen. Na een paar optreden was de bovenzaal te klein, de vloer zakte door zoveel fans waren er gekomen. Daarna werdt de benedenzaal van deze oude fabriek gebruikt. HUN had veel fans zowel in Enschede als Hengelo.In het -Kraaienus- vloog Wim zijn versterker in de brand bij een WHO act. Ik schopte in het Beetshuis twee drumstellen van het podium, geïnspireerd door Keith Moon van The Who. HUN was  lekker ruig en behoorlijk wild met nummers van The Who, Q65, The Animals, Them, Rolling Stones, the Yardbirds, John Mayall and the Bleusbreackers, Moody Blues. In 1966 hadden we een behoorlijke installatie bij elkaar gespaard bestaande uit Marshall en  Dynacordversterkers en een eigen VW bus. We speelden vaak met The Buffoons op de zondagmiddag in Hotel Modern op de -TeeBeat-.  We toerden in het tweede jaar van ons bestaan in de Achterhoek, Overijssel en Duitsland, speelden in oude schuren, kazernes, dancings en nachtclubs. Als 17 jarig knulletje mocht ik blijven bij Sperrezeit na 22.00 uur in Duitsland want ik was de drummer van de band.   Ik ben een tijdje weggeweest bij HUN wegens onenigheid. Spelen in een band is namelijk ook een sociaal gebeuren. Dus ruzie was er ook wel eens. Toen is Alex Blauwbroek een tijd drummer bij HUN geweest. Ik speelde een tijdje in de Black Devils, als enige blanke, met Max Goud, die jongens van de Vries, Woudstra en andere Indo’s. We waren de vaste huisband bij de  Boerderij van de Graaf aan de Haaksbergsestraat. Aanvankelijk een gewone club maar na verloop van tijd werd dit een soort nachtclub met hoeren. Ook viel ik wel eens in als er een drummer ziek was. Bijvoorbeeld bij The Rabbits. Bij de broertjes Hannauer kwam ik ook vaak in huis op het Accacia plantsoen.   Ook heb ik een tijdje bij The Source gedrumd.  Na een tussenpauze van een jaar speelde ik weer bij HUN. HUN speelde erg vaak, twee tot drie keer per week. Achteraf realiseer ik me dat ik bijna geen avond thuis was. Altijd achter de muziek aan. Als ik niet speelde ging ik met mijn tweelingbroer Jan en wat vrienden, Hans Carré, Reinie Boers, Paultje Meierink en  Jantje Heinhuis naar café Bouwhuis. Daar kwam ik al die andere Beatnicks tegen zoals Johan Aldenkamp van The Honest Men en de muziekanten van The Indeeds en The Chains. Mijn broer Jan, die inmiddels overleden is, kon geen muziekinstrument bespelen maar was een goede organisator. Zo organiseerde hij in 1967 de eerste LOVE INN in de Irene met zijn organisatiebureau -The Flower Power Organisation-. Daar kwam Floris Poelman op blote voeten binnen met belletjes om zijn nek en bloemen in zijn haar. Het  Hippietijdperk was aangebroken. Bloemen en wierook werden bij binnenkomst uitgedeeld. We werden door de politie betrapt op het illegaal plakken van posters. Mijn moeder maakte van aardappelen de plaksel. Jan moest, als directeur (17 jaar) voorkomen. Na een pleidooi van Jan, waarin hij de rechter vertelde dat hij toch maar mooi de jeugd van straat hield en dat er zodoende veel minder kattekwaad uitgehaald werd vroeg, de rechter hem  hoeveel zakgeld hij kreeg. “Vijf gulden in de week”, zei Jan!. “Dan krijg je een boete van 25 gulden” was het oordeel van de rechter. Het ging Jan niet om geld, maar puur voor de lol. Daarvoor waren mijn broer en ik ook al Provo’s. We schilderden ‘s nachts de dikke steen bij Pathmos wit en brachten het  -ban de bom- teken aan. Jan was ook manager bij The Indeeds. Veel hadden we samen meegemaakt. Het tijdperk van Provo’s, Beatnicks en Hippies was een hele mooie tijd! HUN hield op, toen we moesten kiezen om wel of niet beroepsmatig door te gaan.  Ook de muziekkeuze was een punt van discussie. Ik wou wel verder, maar niet beroepsmatig. Liever leerde ik een vak. Mijn muziekkeuze was ruiger en wilder, die van anderen niet. We kwamen er niet uit; ik was in 1968.gestopt, verkocht mijn drumstel en vertrok naar zee. Het leven moest op een andere avontuurlijke wijze zijn verloop krijgen. In Portugal werd ik van straat gehaald door de politie omdat mijn haar te lang was. Ik speelde daar een paar keer mee in een band. Muzikaal ben ik jaren later verder gegaan en nam saxofoonles, en  speelde 13 jaar in het (politieke) straatorkest VONK.  Begin jaren negentig ben ik weer gaan drummen en speelde vijf jaar in een jaren dertig band genaamd & his orchestra. Nu speel ik in Triooo een viermans multimuzikaal gezelschap. We spelen allerlei stijlen van  Rock and Roll tot Funfolk hoofdzakelijk Twentse teksten. In februari 2006 komt onze 2e CD uit. Afrikaanstrommelen op Djembé, Kenkeni, Sangban en  Dunun heb ik ook nog vijf jaren gedaan en nam les op Conga’s en bespeel nu de Cajon.  Dansen doe ik nog steeds graag. Ik nam les in Tango en dans momenteel Salsa, Merenqeu en Bachata. Met HUN speel ik alweer vanaf de eerste Textielbeat. Mijn mondharmonica neem ik altijd mee op reis. Zo speelde ik voor Vietnamezen, en in Suriname voor Javanen, Hindoestanen, Creolen Boslanders en Indianen. Old Hippies Never Die,     Henk van de Wetering