|
Rabbits60.nl |
| EEUWIG JONG, EEN LEVEN LANG ? |
Herman Hanauer |
1. Glimlach op m`n gezicht |
![]() |
| 16 mei 1949, half twee in de vroege morgen, oftewel 1.30 a.m.(na middernacht) Ere aan m`n moeder die me begeleidde tot het moment dat ik het levenslicht mocht aanschouwen en ere aan m`n vader, die mededader was van dit heuglijke feit. Een dag die ik nooit bewust heb beleefd en toch kwam het bewustzijn in m`n leven. M`n eerste ademhaling, hoe zou dat gevoeld kunnen hebben? Even een nieuwe teug nemen, zo heerlijk opgevuld worden en dan bij de uitademing een glimlach op m`n gezicht. M`n eerste geluidje, hoe zou dat gevoeld kunnen hebben? Nu lach ik, raden maar...net als iedere andere baby een "meeeeeeeh" en een wereldlijk verlangen naar de eerste moederlijke omarming en de dorst naar de borst voor moedermelk? - Hoofdje, armpjes, beentjes, rompje, handjes en voetjes. Nu ik er voor |
|
het eerst over schrijf, moet het toch wel een wonder zijn
geweest en dat is het nog steeds. De wonderen zijn nog steeds in de
wereld. Wie ben ik? Herman Hieronymus Hanauer. Waar ben ik geboren?
In het RK St.Josephz |
![]() |
|
RK St.Josephz |
|
was met tante Lenie Groenhijm-Bergh, was ook heel muzikaal begaafd en speelde viool en piano, evenals m`n moeder, die ook de gave van het gedichten schrijven mocht beleven. M`n moeder`s andere broer oom Bennie zou later in mijn jonge leven een grote rol spelen met z`n vrouw tante Clara Groenhijm-Jacobs, die uit Hengelo kwam en me later vertelde,hoe ze in ontzetting de Duitse vliegtuigen zag |
|
|
overvliegen over de Bornsestraat bij de Centrale en de Duitse legervoertuigen over de rails richting Almelo gingen. M`n ooms en tante Clara hebben een respectievelijke onderduikgeschiedenis. Ik noem hun omdat ze later in mijn levensverhaal voorkomen. Oom Bennie en oom Lex gingen van plek tot plek, van de Waarbekenweg in Hengelo(o) tot overal rondom Delden, bij families Smit, Lubberdink en Naafs. Er was sprake van een vluchtweg, via Frankrijk en Spanje naar Engeland en dan weer naar Nederland, maar daar is niets van gekomen. M`n tante Clara en haar moeder waren ondergedoken bij de familie Pompe, die ik later heb mogen leren kennen aan de Leeghwaterstraat, maar ze werden helaas verraden in 1944. Via Westerbork kwamen ze in Auschwitz terecht, alwaar zij en haar moeder bij aankomst op het perron uit elkaar werden gerukt. Op het perron stond dokter Mengele die selecteerde. Haar moeder heeft ze nooit weer gezien. Ze moest geweren in elkaar zetten, maar ze vertelde me dat ze er altijd in spuugde in de hoop te saboteren. Ze werden in 1945 door de Russen bevrijd. Omdat ze geen Russisch kon praten, tekende ze met een stok een Davidster in de sneeuw om hun |
|
duidelijk te maken dat ze joden waren. Ze was niet florissant over haar weder-"ontvangst" in het Nederland van net na de bevrijding, want ze voelde zich niet welkom bij haar thuiskomst. M`n vader en moeder woonden begin 1940 in de Noorderhagen. Op 3 februari 1940 werd m`n oudste zuster, hun eerste kind Helga Hanauer geboren, die nog in vrijheid mocht leven, totdat Nederland op 10 mei 1940 door nazi-Duitsland werd bezet. In die tijd vanaf de bezetting had m`n moeder grote steun van de familie Verhoeven, waarvan ik later de dochter Ida Verhoeven heb mogen leren kennen. Deze familie was een grote steun voor m`n vader en moeder in een tijd dat voorzichtigheid voor de joodse bevolking geboden was. De gele ster met het woord "jood" op de linkervoorkant van de jas moest worden gedragen en de nazi-Duitsers, toen "moffen" genoemd, met hun stampende laarzen door de straten op weg naar het badhuis marcheerden, alhoewel m`n moeder zei dat ze wel mooi zongen. Ook kon het gebeuren dat m`n moeder met de baby in het Volkspark wandelde en mensen uit respect voor de Davidster hun hoed afnamen. Op 11 april 1942 werd m`n 2e zuster Carla Hanauer geboren. De nazi-Duitsers hadden bepaalde reglementen en dat resulteerde erin dat joodse mensen herkenbaar moesten zijn door middel van extra namen in hun registratie. Zo heette Helga, Helga "Martha" Hanauer en Carla, Carla "Sarah" Frederika Hanauer. Toen kwam de tijd dat het beter werd om aan het levensbehoud te gaan denken. Via via werd dankzij het Nederlandse Verzet de mogelijkheid geboden om onder te duiken. Zo kwamen m`n ouders bij de familie Alfing in Den Ham en de familie De Bruin in Beerzerveld terecht. Oprechte dank aan al die mensen met hun goede daden. M`n zusjes Helga en Carla mochten in het ziekenhuis in Delden(o) onderduiken, waar ze tot de bevrijding hebben mogen vertoeven en toen het zover was doken ze op uit een papieren onderzeeër in de tuin van het ziekenhuis..Er werkte ook een "zuster" Fennie Hanauer. Tijdens de onderduiktijd bij de familie De Bruin hebben m`n vader en moeder wel eens in een put in een weiland moeten zitten ten tijde van razzia`s, met ingehouden adem, terwijl een herdershond er boven stond te blaffen. Op 9 februari 1945 werd m`n zuster Mieke Hanauer geboren, (nu beter bekend als Stephany). Onder de valse naam moeder en baby Smit kon ze rondlopen met Mieke(Stephany) in de tuin van het ziekenhuis, terwijl overal ook Duitse soldaten waren. Dankzij het verzet kon m`n moeder veilig terug komen naar haar onderduikadres en m`n zuster Stephany kwam veilig terug achter op de fiets helemaal van Almelo naar Beerzerveld in een sinaasappelkistje. Via het verzet kwam ze later bij Dokter Panhuysen uit Borne, naar wie een straat vernoemd is, terecht alwaar ze na de bevrijding verbleef. Ook speciale dank aan de kinderen van de familie De Bruin die heel dapper leerden hun mond niet voorbij te praten, dat er onderduikers in huis waren, want er waren immers ook landverraders. Het kon echter ook gebeuren dat iemand die als jong en soms, |
|
naar later bleek een foute keuze had gemaakt, door als SS-er voor de Duitsers te gaan werken, terug kwam bij het verzet na de Slag om Arnhem en dan alsnog de kans werd gegeven zich te bewijzen voor het verzet. Nu, een van die mensen die heeft m`n moeder geholpen met lopen toen ze zwaar zwanger was door te zeggen:"Kom maar moedertje, steek je arm maar door mijn arm". Mijn vader en moeder hebben na de oorlog nog tesamen gewoond maar hij wilde weer terug naar z`n geboortestad Lingen/Ems. Een van z`n broers ,m`n oom Bernard wist nazi-duitsland te ontvluchten en deel te nemen als soldaat van het Amerikaanse leger bij de D-day invasie. Voor m`n geboorte hebben m`n zusjes Helga en Carla na de oorlog tesamen gespeeld met hun zusje Mieke (Stephany) in de speeltuin bij de Waarbeek in Hengelo zonder dat ze beiden van hun respectievelijke bestaan af wisten. Dat maakte diepe indruk op mij toen ik dat ergens later heb gehoord. M`n moeder vertelde me ook dat aan de overkant van waar ze woonde direct na de oorlog, daar waar later de machinefabriek Koelink werd gevestigd, ex landverraders zoals SS-ers en NSBers werden gedetineerd. Dus tegenover waar m`n eerste officiële adres na m`n geboorte was en dat was Veenstraat 83 Enschede. |
|
|
2.
Van
blauwe Engel tot nieuwsgierige bengel....... |
|
|
Vanaf ongeveer vier jaar na m`n geboorte kan ik me dingetjes herinneren en het allereerste was dat ik m`n broer Eduard, toen nog broertje, bij m`n eerste bezoek in het ziekenhuis eventjes in m`n armpjes mocht houden. Daar sta je dan, met zo`n nieuw wondertje in je nog zelf zo jonge leven. Het is allemaal zo kersvers. Het overkomt je en je weet niet dat het je overkomt en toch is het allemaal overgekomen en nog zo vers als toen in die vergaderplaats, daarboven in m`n hoofd, ook wel hersenen genoemd. Ook kan ik me herinneren dat ergens rondom die tijd, moet voor Eduard`s geboorte zijn geweest, m`n amandelen er uit genomen zijn. `k Zie het verzilverde van die grote bak, rondom m`n ogen, waarmee het allemaal gebeurde nog zo voor me. Daarin droomde ik weg. Toen ik wakker werd was er een vlijmscherpe pijn rond m`n keel en had ik heel veel dorst. Dus dronk ik heel veel sinaasappelsap. Het moet wel voor de geboorte zijn geweest want tijdens Eduard`s geboorte kwam ik bij m`n tante Clara in Delden terecht die op me paste en daarna zou ik weer terug gaan naar m`n moeder, |
|
maar dat wilde ik helemaal niet want ik vond het zo fijn bij m`n tante. Tante Clara nam mij mee naar het mooie stationnetje in Delden waar we naar de binnenkomende treinen gingen kijken die me bijzonder boeiden. Je had toen nog de "Blauwe engel"een dieseltrein en dan had je de stationschef met z`n fluitje en het speciale bordje in de hand met aan de ene kant rood voor stoppen en aan de andere kant het groene sein voor vertrek. Dat was dus de reden dat ik graag bij m`n tante wilde blijven. M`n zuster Carla, die toen nog tezamen met m`n oudste zuster Helga bij m`n moeder woonde, vertelde me jaren later dat ze me maar een lastig en verwend jochie vond. Zij was in haar tienerjaren en nam me op m`n moeder`s verzoek af en toe een uur voor een rondrit in de TET stadsbus die toen een donker- wijnrood dak had en |
![]() |
|
geel cremig was aan de onderkant. De locale TET-bussen hadden dezelfde geel cremige onderkant maar dan met een soort donker-marineblauw dak. Zo had m`n moeder een uur rust van mij en was ik weer zoet. De bus stopte voor onze deur en zodoende konden we in en uitstappen voor de deur. Bij m`n tante kreeg ik chocolademelk. Ze kocht dat bij het kleine melkwinkeltje van de familie Verdriet aan de Kortestraat. Toen ik geen gewone melk weer wou drinken zei ze:" Maar dit is "witte"-chocolademelk",dus dan dronk ik het toch maar weer. Ook vroeg ik haar, terwijl ik naar haar borsten keek-Wat zijn dat? "Oh,dat zijn zwemblazen" .Wist ik veel.... Zo kwam ik op de kleuterschool aan de Zwanensteeg terecht,waar het iedere dag goed vertoeven was. Vooral het speelkwartier vond ik mooi. Er waren van die "grote" autobanden die je onder je handpalm kon laten rollen terwijl je er net overheen kon kijken als je er naast liep. Er waren schommels, een zandbak, glijers en dan was er juffrouw Zangers bij wie ik heel erg graag op haar schoot zat omdat ze zo`n lief gezicht had. Het was er zo knus en ik voelde me er zo behaaglijk geborgen maar dat duurde nooit zo lang, want ik probeerde de knoopjes van haar blouse te openen,wat het einde betekende van m`n "amoureuse" avontuur. Met de Sinterklaastijd was het altijd gezellig. We hadden warme chocolademelk en zongen liedjes en kregen cadeautjes. Toch was de Sint een man waar je wel ontzag voor had. Hij leek ergens heel streng,maar er was ook iets lieflijks en als het moment daar was en je heel schoorvoetend naar voren kwam en hij je dan met z`n diepe, maar toch zachte stem een hand gaf, met die mooie zachte witte handschoenen, dan smolt dat kleine beetje, van zou hij me niet... weg en bloeide er een warm genegenheid op. Ons kleuterschoolreisje was op een mooie lente of nazomerse maandag. We gingen met een bus naar het "Schaafje", een uitspanning dat aan de grote weg tussen Delden en Almelo lag. Het 2e en laatste kleuterschooljaar in 1955 ging juffrouw Zangers trouwen. Wij kwamen met de kleuterschool op het "Hoogspel", een uitspanning aan de rand van het Twickelse bos, waar we lekkernijen en limonade kregen.`k Nam een beetje treurig in m`n hart afscheid van haar maar hoop dat ze heel gelukkig is geworden en haar mooie engelengezicht blijft altijd in m`n herinnering. Datzelfde jaar ging ik voor de eerste keer naar de "grote" school. Ik werd gebracht en weer opgehaald door m`n tante. We zaten voor de eerste keer in schoolbanken. Het waren nog die ouderwetse "twee aan twee" banken waar je naast elkaar zat. We kregen de leesplankjes met het "Aap, noot, Mies". We leerden schrijven. Dipten onze schoolpennen in het inktpotje",dat in de bank zat. Onze schooljuf was mevrouw Bettman. Af en toe kwam ze langs met het stokje en zo kon het gebeuren dat iemand een "zacht" tikje over de vingers kreeg als hij of zij met "hanepoten" schreef. Het is mij een keer overkomen dus dat blijft toch altijd bij je. Toch vond ik haar een aardige juf. Ons eerste schoolreisje was ook op een maandag. Aangezien we met de 1e en de 2e klas in een klaslokaal zaten gingen we ook met de twee klassen gezamenlijk met de bus. We gingen met een ONOG bus. Een rondritje door Twente. Naar Hertme kan ik me herinneren, waar openluchtspelen waren. Eventjes moeten we beschermengelen hebben gehad want er gebeurde iets met de bus wat ik dus nu niet navertellen kan, maar me wel bewust van was en |
|
|
voelde dat het op het nippertje was.`k Weet nog dat we zowat in de sloot terecht kwamen. De volgende twee klassen, de 3e en de 4e klas,de jaren 1958 en 1959, hadden we een hele aardige leraar :meneer Koppelman. hij had een vriendelijk lachend gezicht, zwart haar en een snor en baartje. Hij kwam altijd op een grote motor met zijspan naar school en woonde in Almelo. Nog later kwam hij in een lichtgroen driewielertje, zo eentje waar je de gehele kap van moest openen, om die daarna weer over je te laten zakken. In die jaren zijn we op schoolreisje geweest naar de dierentuin in Munster, op een mooie zonnige vrijdag. Onze "ouders" zwaaiden ons uit en we gingen met de bus. Het was ditmaal een blauwe TAD-bus en ik kan me de grens van Glanerbrug nog heel goed herinneren. De dierentuin was ook heel mooi. Vooral de chimpansees tijdens hun maaltijd op stoel aan een tafel ha ha ha... Toen meneer Koppelman de school verliet voor een baan in Hellendoorn zijn we daar later met een paar vrienden nog naartoe gefietst om hem te bezoeken. In de 5e en 6e klas van de Openbare Lagere School aan de Molenstraat in Delden hadden we eerst meneer Mulder,die aan de Spoorstraat woonde. Hij ging met pensioen. Daarna kregen we meneer van den Bergh,die aardig was, maar toch vond ik hem een keer niet leuk. Er was een medeklasgenoot die niet al te goed luisterde,en werd eens aan z`n oor getrokken, dat helemaal rood aanliep. Verder heb ik wel prettige herinneringen aan deze leraar. |
|
We zijn met hem op schoolreis geweest
naar Rotterdam waar we naar diergaarde Blijdorp zijn geweest en
daarna een rondtocht door de Rotterdamse haven, waar toen net het
vliegdekschip de "Karel Doorman" afgemeerd lag. In die tijd had je
net het lied "Zorrug, dat je er bij komt...",van ene Dorus tom
Manders, dus dat was op zich een belevenis. Hoe was nu m`n leven op
school, wie leerde ik kennen, vanaf de kleuterschool, de lagere
school door en met wie en hoe speelde ik in m`n vrije tijd! Hoe was
het leven thuis! |
|
3. Er gebeurde van alles ... Bij m`n oom en tante werd ik grootgebracht van m`n 4e tot m`n 15e jaar. M`n tante bracht me iedere dag naar school totdat ik m`n eigen weg kon vinden. Via de Noordwalstraat, Delden had immers stadsrechten sinds eeuwen. Daar stond de ouwe "sjoeltje"(synagogetje), waar mijn ooms en m`n opa en de andere joodse ingezetenen voor de oorlog naar toe gingen, maar die niet meer in gebruik was. Daarnaast liep een klein paadje dat naar beneden ging over een heel klein slootje met een stenen ondergrond.(Dit waren de overblijfselen van de oude stadsmuur. Eigenlijk was ik best trots in een stad te wonen want Hengelo was een dorp).Dan een klein eindje links langs het slootje en dan weer rechts naar boven met aan de linkerkant een grote schuur met een wand van gaas, deed je belanden in de Zwanensteeg waaraan de zuidelijke kant van het mooie grote schoolplein lag van de lagere school, die officieel weer aan de Molenstraat lag vanwege de noordelijke ligging. Zo,dat was de weg die ik dag in, dag uit ging. `s Morgens voor negen uur. Dan om 12 uur naar huis voor het middageten. M`n ooms hadden een slagerij. Slagerij Groenhijm. Kwaliteit sinds 1880, zoals op de zakjes stond. Tussen de middag werd de zaak gesloten en hadden we onze warme maaltijd. Tante Clara kon altijd lekker koken. Afijn, dan na het middageten om half twee weer naar school en dan om 4 uur weer naar huis. Oom Lex ging naar huis. Die woonde in de Noordwalstraat tezamen met tante Lenie in een bovenhuis. Daar kwam ik niet vaak want er was geen harmonie tussen m`n tantes, waarvan de oorzaak mij pas jaren later verteld werd. Toch zei tante Lenie altijd vriendelijk hallo, gaf me af en toe een snoepje en heb ik prettige herinneringen aan haar. Eens kwam ik terug van school terwijl ik precies voor haar huis op een lolly aan het zuigen was,die me pardoes in het verkeerde keelgat schoot, en me |
|
zo luid aan het huilen maakte dat tante Lenie en mevrouw Nijland, haar benedenbuurvrouw, naar buiten kwamen. Ze slingerde me aan m`n benen in het rond, de lolly kwam er uit en hier zit ik nog met een glimlach te typen. Dank je wel tante Lenie. Ze hielp elke zaterdag, omdat het de drukste dag van de week was, ook in het kleine slagerswinkeltje, wat dan ook vaak de gehele dag door propvol was met klanten. Oom Lex maakte wel eens grapjes en had voor iedereen een vriendelijk woord en een mop en dan nog dit te weten, Delden was de stad van de moppen. De speciale koekjes die in Delden gebakken werden hadden en hebben waarschijnlijk nog de naam Deldense Moppen, dus hoorde ik wel eens gelach in de winkel. Je kwam binnen met een opstapje en dan klonk de bel, voor het geval dat er niemand achter de toonbank was. M`n beide ooms hadden ook een knecht, ome Johan Bril, hun steun en toeverlaat vele jaren door. Hij hielp zowel in de winkel als in het slachthuis achter waar altijd wel iets uitgebeend diende te worden. Ook waren er de weekendknechten, Johan en Rudie ter Horst, |
|
|
die aan de Vossenbrink woonden en die het vlees langs de klanten brachten op zaterdagen. Daarna was het afrekenen na winkelsluitingstijd. Oom Lex las dan de namen op van de klanten en dan hoorde je uit een andere mond, betaald of niet betaald. Zelf heb ik het ook eens gedaan, met die grote bakfiets, maar toen was ik al ouder. Johan of Rudie kwam in 1962 terug van Nieuw Guinea nadat het conflict aldaar alsnog vredig beëindigd was en dat was een hele belevenis. Wij wachtten allemaal `s avonds in z`n ouderlijk huis aan de Vossenbrink en ja, zo rond elven op een maandagavond kwam de grote bus met militairen en kwam Jan uit de bus en gezongen dat er werd. Ja,ik ben me nu bewust hoe geweldig dat moet zijn geweest. Levendig weer terug en dan die verhalen, dat ze door die grote verrekijkers keken en op op vele kilometers afstand duizenden Indonesische militairen zagen zitten op een eiland,klaar om over te komen voor het gevecht,wat gelukkig dus niet gebeurd is. Eens per week kwam de keurmeester. Met een stempel op de vleesmassa`s gaf hij z`n jawoord voor de verkoop. Zelf hielp ik zo af en toe ook in de winkel, dat was vrijdagsavonds voor de feestdagen zoals kerstmis en Pasen Vanwege het grote aantal bestellingen van klanten deed ik dan de verzorging van het broodbeleg. Dat betekende, draaien aan het wiel met je rechterhand en met de linkerkant ving je de plakjes op die dan keurig op een bepaalde manier op het kartonnen reserveerplaatje terecht kwamen. Soms “zondigde" ik wel eens als er niet gekeken werd,(want wij aten immers geen varkensvlees vanwege ons geloof) en dan at ik een plakje boterhamworst en daar genoot ik wel van. Een keer heb ik m`n pink in het rollende vlijmscherpe mes gekregen,wat resulteerde in een diepe bloedende V-vormige jaap, richting zijkant nagel aan de buitenkant. Het vreemde is dat terwijl ik erover schrijf, ik het warm voel worden daar waar het was. Ook ging oom Bennie eens per week naar de veemarkt in Doetinchem. Dat was altijd dinsdag`s morgens zo rond half vijf. Als het schoolvakantie was ging ik wel eens mee. Wel moest ik dan laarzen aan hebben vanwege al de poep. We gingen |
|
|
soms mee met de grote veewagen van Frans Boomkamp uit Borne, soms ook met andere slagers. Aangekomen aldaar gingen we eerst in een van de grote cafés langs het marktgebeuren voor een lekkere bak warme koffie, want het kon voor een klein jochie als mij best fris zijn. Daarna ging het kris kras over de markt en zag je het handje geklap. Dan was er ook de grote overdekt veehal. Zelf begreep ik er niet zoveel van . `k Zag m`n oom zichzelf omdraaien, dan weer weglopen. `k denk dat het een bepaalde tactiek is. Het gebeurde allemaal zo snel. Het betasten van de koe, het bekijken. Dan kwam de grote portefeuille te voorschijn in het café of staande op een plek en de koop en verkoop was gedaan. De koe werd meestal eerst naar de stal gebracht die in de Walstraat was, precies tegenover het huis alwaar ik m`n eerste vriendje Jan van Coeverden zou leren kennen. Dan werd de koe de volgende dag geslacht. Het slachten ging snel. `k Bleef altijd kijken,want ik wilde het tot in finesses zien, nieuwsgierig als ik was. Totdat ik er op een goeie dag genoeg van had. Naderhand bekeken,was er een ding,wat echt indruk op me maakte en wat ik leuk vond. Na het slachten kreeg ik de grasbal, die van het eten van de koe overgebleven was, waar ik dan mee speelde en wat in feite een wonder voor me was).--Oom Ben en oom Bril |
|
kwamen eens bij de stal om een koe op te halen. Toen ze binnen waren heb ik stilletjes de deur gesloten en de sleutel, die er nog in zat, omgedraaid met als resultaat dat ze de gehele deur uit hun scharnieren moesten lichten. Diezelfde middag moest ik natuurlijk voor straf op m`n slaapkamer blijven. Toch eet ik nu nog steeds vlees en geniet er wel van. Een andere middag moest ik ook naar boven omdat ik me ergens heerlijk in de modder in het rond had gerold met als resultaat een modderpikzwarte Herman. `s Zondagsmorgens ging ik wel eens met m`n oom, met een kussen achterop z`n Solexje, de boer op alwaar hij koeien kocht. `s Middags gingen we uit. Eerst nog met de bus. Dan gingen we naar tante Roza ter Beek die in de Reizstraat in Hengelo woonde. Een gezellige "dikke" tante die altijd heel vriendelijk was. Rond 1956 had ze een Israelier bij haar wonen voor een tijd die een tijdje rust nodig had van de 2e Arabisch-Israelische oorlog. Een vriendelijke jonge man, "Ami Chai" was z`n naam. Voor het eerst werd ik me bewust,dat mensen ook andere huidskleuren konden hebben. Hij was wat men "olijfkleurig" noemt. Daar keek ik wel een beetje vreemd van op en dacht: hoe kan dat nou? `k Vroeg me wel eens af, wat dat woord "oorlog" betekende. Het klonk allemaal zo dreigend. Ook gingen we wel eens op bezoek in Enschede bij tante Hedwig en haar man oom Poppert. Zij woonden in een van de flatgebouwen aan de rand van de Sahara op Twekkelerveld. Eens kwam oom Poppert binnen verkleed als dame, zo goed gedaan, dat ik het altijd herinner. Het was er altijd gezellig. In dat zelfde jaar, want ik kan me herinneren dat het rond m`n zevende verjaardag was, stonden we op een zondagmorgen op en wij, oom Bennie, tante Clara en ik, liepen naar de pomp aan het Marktplein. Nieuwsgierig als ik was,vroeg ik: “Waar gaan we naar toe?",want daar was ook de bushalte van de OAD, de grijze bussen,die ons stadje aandeden. Toen kwam er een donkerblauw-met-cremekleurige bus, van van Kempen`s Tours uit Enschede, die zowat vol met mensen zat en daar zat tante Roza. Het werd een hele mooie dag. We gingen naar de bollenvelden. De Keukenhof, Hillegom en Lisse en daarna de grootste verrassing voor mij. We gingen naar Noordwijk. Het was een beetje grijsachtig die dag en een lekkere bries, maar daar was ---DE GROTE ZEE ---.Wat een openbaring vooral als je nog maar zeven bent en ja ,in feite was ik sprakeloos. Daar sta je dan. Het is net of er een nieuwe wereld voor je opengaat. Later had ik een tijd dat ik altijd naar zee wou of aan zee wilde wonen. Nu ik dit zit te typen woon ik vlak bij de oceaan en ooit heb ik in m`n latere jaren op een visserschip gewerkt, om toch maar op zee te zijn. Daarna was het weer tijd om naar huis te gaan. We maakten kennis met een aardige vrouw in de bus die nog naar Munster, in Duitsland, terug moest, Omdat ik al zoveel had gehoord over de bezettingstijd en het woord "moffen" heb horen vallen, wat ook wel begrijpelijk is na wat er gebeurd is, blijft deze vrouw m`n gehele leven bij me, met de wijsheid,dat er overal goede en niet goede mensen zijn en er dus ook goede Duitsers zijn. Zo zat ik eens op een zondagmiddag met m`n vriend Jan van Coeverden en z`n ouders in |
|
|
een Volkswagen, ook wel "kevertje" genoemd. Het was rustig op de weg totdat er een auto met een Duits nummerbord ons inhaalde. Nu,dat werd een race, want die "mof",mocht niet winnen. Nu, na de tijd, zie ik er de gekkigheid van in. Ook woonde er een zekere Frans Nijboer in Delden die ook wel een tijdje de bestellingen rondbracht, een vriendelijke jongeman die op jonge leeftijd naar Australie is geemigreerd.Er gebeurde altijd wel iets onderweg, van of naar school. Ergens in m`n jonge tijd, vanaf 5 -6 jaar, leerde ik Jhr.Jan van Coeverden kennen, ja een heuse Jonkheer die dezelfde leeftijd had als mij. Alleen een paar maanden ouder. Hij woonde tegenover de stal van m`n ooms en zodoende werden wij vrienden. Een keer kwamen wij van school af en zat ik bij hem achter op de fiets en we banjerden tesamen de sloot in. Dat was lachen, omdat het goed afliep. Een andere keer kwam ik van school af, op een woensdag, de enigste dag in de week dat we `s middags vrij hadden terwijl een klein kefhondje achter me |
|
|
aanliep. Uit angst bleef ik staan en hoe harder ik begon te huilen,hoe harder het keffertje begon te bijten in m`n knie totdat, na een tijd, iemand me verloste en de tanden in m`n knie zichtbaar waren. Tot jaren daarna was ik heel voorzichtig met honden. Er zijn ook heel wat woensdagmiddagen geweest dat we met een heel stel jongens voetballen gingen bij de Viersprong, kruispunt van de Bornsestraat, die weer langs de Deldense ijsbaan ging, wat ook zo`n mooi plekje was, vooral hartje winter wanneer het lekker wit was en je schaatsen kon en een lekkere warme kop chocolademelk soms wonderen deed om je koude vingers weer op te warmen. Alhoewel ik geen goede schaatser was, kwam ik best vooruit en ja, wie wou er nou niet als Henk van der Grift zijn, met je fantasie als je lekker langzaam "pootje over" ,wat uiteindelijk een hele prestatie voor jezelf was, door de bocht ging. Daar was een mooie open plek onder de bomen. Daar lag ook de weg naar kasteel Twickel. Dan had je dieper in het bos het Hoge Bruggetje en aan de tegengestelde richting ging de weg naar Azelo, langs de Dikke Steen waarbij ik op een van de akkers in een herfstvakantie ooit geholpen heb met aardappel garderen. Wat was dat heerlijk als, na een tijd gewerkt te hebben,de boerin eraan kwam met lekkere warme koffie en broodjes. Dan waren er andere woensdagmiddagen dat ik met Dickie Rouweler speelde. Dickie, die nu bijzonder mooi werk maakt als artiest onder de naam Marcel Rouweler in Groningen, kwam van een gezin met vier kinderen. De vader had een sanitair bedrijf aan de markt waar die mooie pomp nog steeds staat, tegenover het grote gebouw dat het politiebureau was. Dickie had een oudere broer Jan Willem Rouweler, dan was er |
|
|
Hansje Rouweler en Peter Rouweler in volgorde van leeftijd. We mochten ook televisie kijken, af en toe, en dat was een belevenis. Je had Pipo de Clown en Mammeloe met de Dikke Deur, dan was er het programma De Verrekijker, dat je een kijk gaf overal in de wereld. Met Dickie, die lieve en verzorgende ouders had, speelde ik soms achterthuis tussen de pijpen van het sanitairbedrijf en soms speelden we op het grasveld naast de kerk of liepen we rond over het lage kerkmuurtje da geheel rondom de kerk liep. Dickie zat op de Room katholieke school,net als m`n andere vriend Bennie Bruins, met wie ik menig balletje getrapt heb op het kleine driehoekspleintje voor hun eigen groentezaak. Bennie heb ik jaren later ooit nog eens ontmoet in Hengelo terwijl hij op de bank vlak bij het station werkte. Hij had broer Harrie, zuster Ria en z`n |
|
vader en moeder. In het andere kleine straatje,dat vanaf groeteboer Bruins richting Langestraat liep woonde Hannes de Jager met z`n vrouw, een imposante man met al grijzig haar, grote bakkebaarden, een snor en een hele grote dikke buik en hij deed me een beetje aan m`n vader denken. Dat komt omdat hij ook met lompen en oud ijzer handelde. Ze waren misschien wel zigeuners. Het waren heel vriendelijke mensen. Op een nacht ergens in die tijd gingen de sirenes, die op het dak van het politiebureau waren gevestigd, dus aan het begin van onze straat, midden in de nacht aan. Het huis van Hannes ging helaas in vlammen op. `k Ben er wel even uit geweest en heb wel geboeid naar het schouwspel van de vlammen gekeken. Met het echtpaar was gelukkig alles goed. Dan waren er de drie gezusters ter Steege die in het mooie hoekhuis met de zwart-witte Twickel-blinden woonden. De familie Smeenk op de ene hoek met de Spar-winkel en een hoek verder richting kerk de familie Levers met de Centra-winkel. Dat waren nog de gezellig ouderwetse winkels. Alhoewel wij joods waren liet tante Clara mij toch de meeste dingen mee doen,wat ook andere jonge kinderen deden zoals het plezier van het optuigen van een palmpasen, met al die gekleurde suikereitjes, wat ook een feest voor het oog was. In het Delden van mijn jonge jeugd waren twee grote kerktorens. Vanaf m`n opkamertje aan de Marktstraat 9 kon ik de dikke toren van de Nederlands Hervormde Kerk, met z`n Romeinse cijfers, zien en ook ieder uur horen, iets waar ik heel vertrouwd mee werd door de jaren heen. En dan had je de Rooms Katholieke Kerk met de slankere toren aan de Goorsestraat die beiden vanaf de buitenranden van het stadje bij benadering in herkenning aan het oog werden geopenbaard. De Nederlands Hervormde kerk kon je zien als je vanuit Almelo kwam en de Rooms Katholieke kerk als je vanuit Goor kwam. Ook in de sport was er van alles twee: respectievelijk Rooms Katholiek en alles wat anders was. Voetbalverenigingen Rood Zwart: shirt met verticale rood-zwarte strepen plus zwarte broek en SV Delden had een blauw shirt met een gele V die onafgebroken verder ging in het rond rondom over de schouders. Korfbalverenigingen Rood Zwart en Zwart Wit en gymnastiekverenigingen Rood Zwart en Actief. Van Actief was ik een aantal jaren lid. Bij een van de jaarlijkse uitvoeringen, in toen nog cafe Jeurling, moesten wij via een springplank over de wijde bok duiken met een zweefrol. Toen ik dat niet durfde, tilde de gymnastiekleraar de heer Borgers, mij hoog boven de bok uit, voor de aanwezige toeschouwers die een luid applaus gaven en ik vroeg me af, wat er nou eigenlijk aan het gebeuren was. Het was de in die tijd dat ik eigenlijk voor het eerst veliefd was op een meisje die mij eigenlijk niet zag zitten, maar toch bleef je verliefd....... |
Later meer... |
Rabbits60.nl |